Een succesvolle aanplant begint met een zonnige plek, een doorlatende bodem en voldoende ruimte voor de wortels. In gebieden met koude winters wordt de citroengeurende lampenpoetser meestal in een kuip geplant, zodat hij voor de vorst naar binnen kan worden gebracht. In uitzonderlijk milde en beschutte tuinen kan aanplant in de volle grond worden overwogen. Bij vermeerdering geven halfverhoute stekken doorgaans betrouwbaardere resultaten dan zaaien.

Planttijd en voorbereiding

Het voorjaar is de beste periode om een jonge plant te verpotten of buiten te planten. De wortels krijgen dan een volledig groeiseizoen om zich te herstellen en nieuwe haarwortels te vormen. Wacht bij buitenaanplant tot de kans op zware nachtvorst voorbij is. Een bewolkte, zachte dag vermindert het risico op uitdroging tijdens de eerste uren na het planten.

Onderzoek vóór het planten de wortelkluit en verwijder alleen duidelijk rotte of afgestorven worteldelen. Gezonde wortels zijn stevig en meestal lichtbruin tot crème van kleur. Een zeer dicht rondgedraaide kluit mag aan de buitenzijde voorzichtig worden losgemaakt. Trek de wortels niet hard uit elkaar, omdat beschadigde wortels gemakkelijker door schimmels worden aangetast.

Bereid een luchtig substraat voor dat water vasthoudt zonder drassig te blijven. Voor kuipplanten kun je potgrond mengen met minerale bestanddelen zoals perliet, puimsteen of fijn grind. Voor vollegrondsteelt moet zware klei ruim worden verbeterd met grof mineraal materiaal en organische stof. Een plantgat vullen met uitsluitend losse potgrond is minder geschikt, omdat daarin tijdelijk water kan blijven staan.

Geef de plant enkele uren voor het verplanten een matige hoeveelheid water. Een licht vochtige kluit blijft beter samen en beschermt de fijne wortels tijdens het hanteren. Een volledig doorweekte kluit is zwaar en kan gemakkelijk uit elkaar vallen. Na het planten geef je opnieuw water om holtes rond de wortels te sluiten.

Planten in kuip of volle grond

Plaats de plant in de nieuwe pot op dezelfde diepte als hij eerder stond. De wortelhals mag niet diep onder het substraat verdwijnen. Vul de ruimte rondom geleidelijk op en druk de grond slechts licht aan. Te sterk aandrukken vermindert de hoeveelheid lucht in het substraat.

Laat boven in de pot enkele centimeters vrije gietrand over. Hierdoor kun je langzaam water geven zonder dat grond over de rand spoelt. Dek de afvoergaten eventueel af met een potscherf of grof gaas, maar sluit ze niet volledig af. Het water moet zonder belemmering kunnen wegstromen.

In de volle grond kies je een verhoogde of licht hellende plaats waar regenwater niet blijft staan. Meng geen grote hoeveelheid sterk bemeste compost direct onder de wortelkluit. Een te hoge voedingsconcentratie kan jonge wortels beschadigen en zorgt voor zachte groei. Breng liever een dunne laag rijpe compost rondom de plant aan nadat hij is aangeslagen.

Bescherm een pas geplante struik de eerste weken tegen harde, uitdrogende wind. Een eenvoudige steunpaal kan nodig zijn wanneer de kroon groot is ten opzichte van de wortelkluit. Bind de stam losjes vast met zacht materiaal dat niet in de bast snijdt. Verwijder of verruim de binding zodra de plant stevig verankerd is.

Vermeerderen met stekken

Neem halfverhoute stekken van gezonde, niet-bloeiende scheuten in de zomer of vroege herfst. Een geschikte stek heeft stevig weefsel, maar is nog niet volledig hard en houtig. Snijd met schoon gereedschap net onder een bladknoop. Een lengte van ongeveer acht tot twaalf centimeter is meestal praktisch.

Verwijder de onderste bladeren zodat een kaal stengelgedeelte in het stekmedium kan worden geplaatst. Laat bovenaan enkele bladeren zitten voor de fotosynthese. Grote bladeren kunnen gedeeltelijk worden ingekort om verdamping te verminderen. Verwijder bloemknoppen en jonge bloeiwijzen, omdat die energie aan de beworteling onttrekken.

Gebruik een steriel en luchtig mengsel van bijvoorbeeld stekgrond en perliet. Steek de stek enkele centimeters diep en druk het substraat voorzichtig rond de basis aan. Houd het medium licht vochtig, maar voorkom dat het voortdurend verzadigd is. Wortelpoeder kan de beworteling ondersteunen, al is het niet in alle gevallen noodzakelijk.

Een transparante kap of plastic zak helpt om de luchtvochtigheid rond de stekken hoog te houden. Zorg dagelijks voor korte ventilatie om condens en schimmelgroei te beperken. Plaats de stekken helder, maar uit directe hete middagzon. Nieuwe groei en een lichte weerstand bij voorzichtig trekken wijzen erop dat wortels zich beginnen te ontwikkelen.

Zaaien en jonge planten opkweken

Zaaien is mogelijk, maar zaailingen zijn niet altijd identiek aan de moederplant. Dit is vooral belangrijk wanneer je een exemplaar met een specifieke bloemkleur of groeivorm wilt vermeerderen. Verzamel rijpe zaadcapsules en laat ze op een droge plaats openen. Het zeer fijne zaad kan vervolgens voorzichtig worden uitgeschud.

Strooi het zaad oppervlakkig over fijne, vochtige zaaigrond. Bedek het nauwelijks, omdat licht de kieming kan ondersteunen. Gebruik een fijne vernevelaar om te voorkomen dat het zaad wordt weggespoeld. Zet de zaaibak warm, licht en uit felle directe zon.

Houd het substraat gelijkmatig vochtig totdat de zaailingen voldoende wortels hebben. Een transparant deksel helpt tegen uitdroging, maar moet dagelijks worden gelucht. Verwijder het deksel geleidelijk zodra de eerste echte blaadjes verschijnen. Een plotselinge daling van de luchtvochtigheid kan jonge planten laten verwelken.

Verspeen de zaailingen wanneer ze groot genoeg zijn om zonder beschadiging te hanteren. Gebruik kleine afzonderlijke potjes met een luchtig substraat. Geef in de eerste weken slechts zeer verdunde voeding, omdat jonge wortels gevoelig zijn voor zouten. Laat de planten geleidelijk wennen aan meer zon en lagere luchtvochtigheid.