Dichtbloemige wederik laat zich vrij eenvoudig planten en vermeerderen, mits de bodem voldoende vocht vasthoudt en tegelijk goed doorlatend blijft. De plant vormt kruipende stengels, waardoor ze zich natuurlijk kan uitbreiden en open plekken snel kan bedekken. Voor een sterke start zijn planttijd, plantafstand en bodemvoorbereiding bepalend. Met delen, stekken of bewortelde uitlopers kun je bovendien snel nieuwe planten maken voor borders, potten en randen.
Planttijd en voorbereiding
De beste planttijd ligt in het voorjaar of het vroege najaar. In deze perioden is de bodem meestal vochtig en zijn de temperaturen gematigd. Daardoor kan de plant wortelen zonder direct te worden belast door hitte of droogte. Zomerplanting kan ook, maar vraagt meer aandacht voor watergift.
Maak de grond voor het planten goed los. Verwijder wortelonkruiden, stenen en verdichte kluiten. Meng compost door de bovenlaag om de structuur en het vochtvasthoudend vermogen te verbeteren. Op zandgrond is deze stap extra belangrijk.
Controleer voor het planten de kluit. Is die erg droog, dompel haar dan kort onder in water tot er geen luchtbellen meer opstijgen. Zijn de wortels rondgedraaid, maak ze dan voorzichtig los. Zo groeien ze sneller de omliggende bodem in.
Plant niet dieper dan de plant in de pot stond. Een te diepe aanplant kan stengels laten rotten, vooral op vochtige grond. Druk de aarde licht aan rond de kluit. Geef daarna ruim water, zodat de grond goed aansluit op de wortels.
Meer artikelen over dit onderwerp
Plantafstand en toepassing
Voor bodembedekking is een afstand van ongeveer 25 tot 35 centimeter vaak geschikt. Bij een snelle sluiting van het plantvak mag je dichter planten. In kleinere tuinen is een ruimere afstand praktischer, omdat de plant zich nog uitbreidt. Houd rekening met haar kruipende groei.
Langs paden en terrassen werkt dichtbloemige wederik mooi als zachte randplant. Plant haar dan iets van de rand af, zodat de scheuten later natuurlijk kunnen overhangen. Te dicht tegen bestrating kan uitdroging ontstaan door warmte. Een beetje ruimte geeft een rustiger en gezonder beeld.
In potten combineert de plant goed met opgaande soorten. Denk aan siergrassen, compacte vaste planten of zomerbloeiers met vergelijkbare waterbehoefte. Kies geen partners die extreem droog willen staan. Verschillende vochtbehoeften in één pot leiden vaak tot ongelijke groei.
Bij aanplant onder struiken moet de concurrentie worden beoordeeld. Onder luchtige heesters met open wortelstructuur kan de plant goed functioneren. Onder dicht wortelende bomen is de kans op droogtestress groter. Daar is extra compost en water in de beginfase noodzakelijk.
Meer artikelen over dit onderwerp
Vermeerderen door delen en uitlopers
Delen is een betrouwbare methode om dichtbloemige wederik te vermeerderen. Graaf in het voorjaar of vroege najaar een gezonde pol of mat voorzichtig op. Trek of snijd de plant in stukken met voldoende wortels en scheuten. Plant de delen direct terug op voorbereide grond.
Bewortelde uitlopers zijn nog eenvoudiger te gebruiken. De kruipende stengels maken soms vanzelf wortels op contactpunten met de bodem. Knip zo’n geworteld stukje los van de moederplant. Verplant het met een klein kluitje aarde om uitdroging te voorkomen.
Na het delen is water geven cruciaal. De wortels moeten opnieuw contact maken met de bodem. Houd de grond enkele weken gelijkmatig vochtig. Bescherm jonge delen tijdelijk tegen felle middagzon als het weer warm is.
Delen werkt ook verjongend voor oude planten. Een dichte, verhoute of rommelige mat krijgt zo nieuwe groeikracht. Verwijder zwakke, kale of rotte stukken tijdens het scheuren. Gebruik alleen vitale delen voor herplanting.
Stekken en nazorg
Stengelstekken kunnen worden genomen van jonge, gezonde scheuten. Kies niet-bloeiende scheuten als dat mogelijk is, omdat die meer energie hebben voor wortelvorming. Knip stekken van enkele centimeters en verwijder de onderste blaadjes. Zet ze in luchtige, vochtige stekgrond.
Plaats stekken licht maar niet in felle zon. Een transparante kap of kweekbak kan helpen om de luchtvochtigheid hoog te houden. Ventileer wel regelmatig om schimmel te voorkomen. De stekgrond moet vochtig blijven, maar niet drijfnat worden.
Wanneer de stekken nieuwe groei tonen, zijn er meestal wortels gevormd. Laat ze nog even sterker worden voordat je ze uitplant. Hard jonge planten geleidelijk af door ze enkele dagen buiten beschut te zetten. Daarna kunnen ze naar hun definitieve plek.
De eerste maanden na vermeerdering bepalen de latere kwaliteit. Geef jonge planten niet te veel mest, want dat veroorzaakt slappe groei. Zorg liever voor constante vochtigheid, luchtige grond en lichte beschutting. Zo ontwikkelen ze een compact wortelgestel en een sterke basis.